Kabouters in Kopenhagen

Bij vrienden in Groningen kijk ik met een half oog naar het voetballen. We delen rondgaand rookwaar en nippen van een huisbrouwsel dat smaakt als een mengsel van wortel en vlier. Languit met onze benen op een tafel, een afgedankt houten wiel met spaken, gekscheren we broederlijk. We schudden onze wereld wat op zoals boeren doen die hun hooi omkeren naar de zon.

De avond verloopt jolig. In de vroege morgen vertrek ik voor mijn missie met een onbezorgdheid die eigen is aan de tijd, begin jaren zeventig. Ik voel een lichtheid in me die een nacht zonder slaap soms schenkt. De waaier met uitbundige kleuren van de opkomende zon helpt hierbij, hij streelt mijn huid en weerkaatst in mijn binnenste als een weldadige opbeuring. Net als het heelal schijnt mijn leven me oneindig, ik ervaar het als onafhankelijk van wat dan ook. Tegelijk weet ik me als in een trip verbonden met al het levende en het dode van dingen om me heen, principieel evenwaardig, maar toch apart van al het andere. Ik voel me opgetogen in een wereld waarin mijn leven lijkt te gedijen door de aangeboren aard van mijn wezen, zonder het juk van een gewaande vrije wil, mijn leven gaat als vanzelf.

Mijn oude kever met zijn klein achterruit, pruttelt puik door het ontwakend landschap. Maar Nieuwe Schans voorbij word ik tegengehouden.

De Duitse douane gebaart dat ik uit moet stappen. Mijn volkswagentje wordt uit het zicht geduwd terwijl me al mijn spullen worden ontnomen. Mijn kleren hoeven niet uit. Ik word door gretige vingertoppen betast, wat me ontstelt. Net nog had ik zo mijn gedachten, nu stuwen vragen in me op. Koortsachtig jagen ze door mijn hoofd. Wat is er aan de hand? Mijn paspoort nieuw, autopapieren in orde, wat kan er mankeren?

Warten Sie hier.

Nein, nicht dort. Hier bleiben.

Buiten breekt de vroege schemering door het helse licht van lampen. Wanneer ik me in het wachtlokaal uitrek zie ik buiten slechts mijn autodak en twee helmen. Binnen op mijn krukje met de armen op mijn knieën kan ik niet veel. De man tegenover me klungelt met een radio voor het nieuws, maar hij zegt geen woord. De Duitsers hebben verloren van een voetbalclub uit het kikkerland, dat weet ik al, daar word ik niet wijzer van. Mijn bewaker grijnst me misprijzend toe.

 

Lees hier een verslag over Deense kabouters.

Lees hieronder interviews met Simen in Het ParoolHet Vrije Volk en De Volkskrant.