Lentes liefdesvrucht

geschiedenis van een gekte

 

Mijn liefste aller, aller! Waar ben je? Geen teken, geen geluid, ik mis je. Ik mis je! Ik barst uit mijn voegen van verlangen, ben onwel. Mijn nerven verslappen. Ik hunker naar warmte van je kus, je aanwezigheid, waar ben jij? Ik hoor maar zie je niet, voel maar adem je niet. Je lach, het twinkelen van je ogen, waar, oh, waar ben je, mijn schavuit? Ik heb het niet meer, jou niet meer?
Mijn lijf schrijnt, mijn zij steekt, mijn maag keert zich. Ontstoken zijn mijn ogen, mijn tong is sprakeloos, mijn leven zonder doel. Omarm en omstrengel me, breng me thuis. Waar ben je, ik roep je, schreeuw het uit: ik hou van jou!

Lieverd, lentevrucht! We spiegelen ons aan elkaar. Onvoorwaardelijk, intens, zonder te weten wie we zijn. Vrij: jij leeft, wij leven!
Leef ik mijn droom in werkelijkheid? Mijn verlangen vlindert in virtuele dansen. Liefde is in de lucht.
Beleef je begeren echt. Geef je stoutste bloot, laat me van je lezen. Ik ren onrustig rond, kan niet wachten.
De tijd schrijdt zo tergend traag…
Almaar tik jij er tussendoor: bij het schrijven, het koken, het redderen in de tuin, in gezelschap en in mijn hazenslaap, altijd hoor ik je, wil ik luisteren, je voelen.
Muziek zingt alom, maar jij speelt er niet. Wat een kwelling.
‘k Ga gras maaien, onkruid wieden, bomen zagen, wat mijn dolle kop me ingeeft om mezelf te manen: me in de kelder verstoppen, op het dak zitten kwaken, tjilpen, mijn vlag uithangen.
‘k Wil je woorden eten, je lijf horen, tongen smelten. Paradijs maken. Alles! Pak me!

Allerliefste, ik bemin je uitzinnig. Vol gloed is je jonge lach, je haar als een aureool rond je hoofd. Onbesmet dans je naar je wezen. Margrietjes in je handen, je vertraagde pas, je oogopslag, je blik je huid je stemgeluid, je mijmerij bij je spelen. Ik mis je zo van binnenuit. Mijn vreugde en verlangen, ‘k mis je in elke vezel.
Ben als riet, pluk mijn stengel in je water. Vang me in je net, bevis me tot ik niet meer ben.
Lief, verstop je niet, ik wil je dragen, voel me één.
Hergeboorte… hemeltranen. We drinken van onze huid, besprenkelen elkaar. Licht in ons hoofd met verhalen die ons vervolmaken. Zo we willen zo we zijn. Mijn lieveheersbeestje, veilig in beschutting, jong geluk. Dat we gescheiden dezelfde dingen doen, we gaan ver.

Minnelief, waar ben ik zonder jou? Onze wereld schijnt buiten zin als ik jou niet zie. Wij weten elkaar in één oogopslag, één handgebaar, we zijn elkaar in ons willen in ons weten, we minnen en zijn bij zinnen, buitengaats, van binnen klaar.
Niet aflatend spin je beelden in mijn hart, wacht ik op je teken, aarzelt de tijd voorbij. Zonrijke schat, je hitte trekt het vocht uit mijn huid, zo dicht voel je op me.
Je afwezigheid bekruipt me als een naakte slak, ik voel je kleverig spoor. Mocht ik je maar raken met gebaar of geur, je even zien, al daag je uit aarde van andere eeuwen.
Je wereld waait weg, ik besta niet meer. De wind blaast je woorden in gebolde wangen.
Al delen we last en tekent je gezicht jaarringen van zorgen: toch baart ons samenspel leven.

Mijn liefste onverlet, mijn omelet, ik leg je plat, peuzel zuig je, smaak je om en om, van binnen en van buiten. Ik lik je levenslang en overal.
Er is niets mis met je spanningsboog, je bent in hemels evenwicht. Billen trillen schillen villen grillen, ik dans je dun.
Wachten werkt vruchtbaar voor ons verlangen naar elkaar. Wat we krijgen kwijnt noch verpulvert tot stof. Het stijgt naar ons hoofd en pot zich op, heuglijk, helder als van gister en alledag. Oh, heimelijke eigenheid waarvan alleen wij het fijne weten: sprenkel, sprankel in onze ziel gevaren, ongenaakbaar voor onbevoegden, zelfs beminden. Nog even dan zijn wij één, overal!
Je woorden ruisen als eerder. Ik smacht naar je twinkelende ogen, je avontuurlijke handen over mijn huid, je vingers als vlinders … verlies me in je vlucht. Je oprispingen zijn me lief. Ja, ik hou van jou, mijn vrouw.

 

Verwachte publicatie: binnenkort