Mislukt en onvoltooid

Herinner jij je nog die eerste dag
Hemel, zei je, wat ik niet vermag
De mensen hier gaan voor mij liggen
alsof ik die boer ben tussen zijn biggen
ze wenken me, roepen, hoor ze schreeuwen
ik heb zelfs geen tijd hier om te geeuwen
handen uit de mouwen, rennen op en neer
nu weer hier dan daar, keer op keer
ze willen vrij, willen mij voor hun billen
goor, hoor je me, om het uit te gillen
en dat moet schoon en toegestopt
dekens opgesmukt, stofjes uit de lucht
afgestoft
dit is voor mij wat ik wil
geen leven
dat zei je.

Over leegte

Leegte is meestal vol met niks
als wat onopvallend lijkt: lucht.

Hoofden zijn soms leeg, bovendien:
borden stranden wolken woorden.

Alom leegte: om je heen, in
je zelf je ziel je lief je hart.

De mooiste is die op papier
je mag haar niet wegmoffelen.

Zonder leegte zijn we nooit vol
van vreugde, liefde drijft er op.

We smeken, geloven, zonder
leemtes raken we niet vervuld.

Leegte leeft zich uit in ons zicht
ze kan zelfs doden doen keren.

In de kaalte van het nergens
het niets van al, schept zich leegte.

Pas dan is er hemels wonder
plaats voor aarde en kometen.

Voor ons mensen woordbewoners
rest slechts haar te vervolmaken.

2018

Of emptiness

Emptiness is usually full of nothing
which seems unobtrusive, air.

Heads can sometimes be empty or
words beaches clouds plates.

Emptiness all around: around you in
yourself your soul your body your heart

The finest is the one on paper
you cannot hide her away.

Emptiness revels in full view
she can even repel the dead.

Without emptiness we’re never full
of joy, love is driven by it.

We beg, believe, without
voids we’ll never get filled.

In the barrenness of nowhere
the nothing of all, emptiness becomes.

Only then – zooming miracle –
is there room for earth and planets.

For our kind: word citizens
it only remains to fulfil her.

Vertaling Trevor Scarce

2018

Liefdesvlucht

Wachtend
ben ik zonder je
smachtend
met jou nabij.

Als in je slip en lip
verlangen bloeit
zal ik je een bedvol
bloemen maken.

Onze lusthof leeft
met verrukking
van het kind in mij
vrij van wil.

Neem me mee
laat me niet
waar ik ben.

In vuur en vlam
doof ons niet.

Wanneer in wolken
voelen we
geen nattigheid.

We rijpen met ons lot
als volkoren
op aarde.

In water verdiept
onze dobber
zonder dat we zien
welke vangst hij volgt.

Treurwilgen spiegelen
hun wijde rokken
aan de wallenkant.

De aarde boert voldaan
na ons samenvloeien.

Oud maar dagen
mateloos
tijd als gummi
uitgerekt.

Ach dat dolen
van je ogen
je turen in
verloren uren.

Verf van onze streken
husselt
in de oplossing
van het leven.

We boetseren ons beeld
naar elkaars bekoren.

Wij lichten het toeval op.

Je zachte vacht
opstandig kippenvel
mijn vingerogen
krijgen wimpers nodig.

Wat zacht als haar was
staat recht als ijzerdraad.

Onze lust valt zwaar
als onze last er
overheen
morst.

Zelfbepaling kunnen we
elkaar niet kwalijk nemen.

Ik dep me
met zinnen als zalf
voor wonden
van gemis van jou.

2018

Hier twee rijmen over Amsterdam, strak in het pak, het kan natuurlijk nog minder mooi maar deze gaan ook al ver.

Amsterdam

Je zag me langslopen, koekeloeren
Naar je fraaie jas, rond rokken liefde
Op de zeedijk, waar vissers en hoeren
Waren sleten aan wie het geriefde.

Nu lopen er toeristen heen en weer
Langs een nering die zoeter voedt dan stroop
En warm ijs te likken geeft, wat een sfeer
Bewoners verhuizen, naar waar dan ook.

Op ochtenden liggen straten bezaaid
Met peuken van vingers weggeschoten
Door lui die er tijd slechten met gehaaid
Passanten vangen, om vlees te roken.

Tot het middaguur is het er stil, want
Iedereen ligt plat nog bij te komen
Van het vertier op wal en binnenkant
Kots plakt op straat: treurige symptomen.

Vooral je geur is permanent present
Je wordt er high van en je hoofd ontzet
Mannen voelen zich meer vrouw, zij wel vent
Speels, als bloemenpracht op een brug gezet.

Zoals een moederschoot of vadersarm
Beschutten rond onze staat van leven
Lanterfanter ik veilig in je warm
Doorstroomde hart en weet me verweven.

2018

Amsterdam

Rond de zeventiger jaren liepen
Hier de Provo’s en Kabouters, zingend
Van liefde bloemen broederschap, sliepen
Zij in park op plein, ging het volk swingend.

De bobo’s met hun bebloede handen
Geselden hen met wapenstok kapot
Hondenbeten, paardenhoeven ramden
Dove langharigen naar het cachot.

Toch waren zij degenen die minden
Het leven vierden, bovenal de stad
Loze ruimten kraakten van wie inden
Voor hun al te dikke beurs zonder hart.

Er kwamen winkels zonder winstoogmerk
Onbespoten groenten, met geen ketens
Van agressieve grootte, maar zacht, sterk
In het kleine, als zalf voor gewetens.

Bij de Knetterwinkel in de Jordaan
Met zijn waren uitgestald op de stoep
In kistjes van de boer, kwamen voldaan
Zij met bloemen in het haar, voor hun snoep.

Nu wordt biologisch waar geprezen
Is wat moest worden bevochten gewoon
Zijn we door onze vrijheid genezen
zelfstandig scheppend, niet meer epigoon.

2018

Van t naar t

terloops verwarring wat is er aan de hand
wilde ik woorden wijden aan de kunst
hoe ze frivool schept en beeldt maar gunst
wat ik zie een schoone schelp slechts op het strand

broos ligt natuurpuur naakt met open oren
te luisteren naar parels wederkeer
verstomd sta ik te staren aan het meer
niks cultuur en blazen van hoge toren

bleu blozend door haar blank gespoelde ogen
mag ik spelen met nat zand in haar vorm
en waters vrucht masseren bij het drogen

kinderlijke nevel door een warme joint
betovert kunst met natuurlijke norm
in verlicht visioen van saam naar de point.

1999

Ode aan de druif

de naakte takken zijn in de winter
zonder smuk van ronde vruchten
stokjeseinden hangen kaal geknipt
weerloos zonder blad te zuchten

waar is het sap dat door nerven stroomt
waar de drank anders dan een droom
maar weer naakt lenteleven zonnig warm
en spint een blauwe kater bij de boom

harde knoppen plooien langzaam open
en kleden ranken aan als eigen plicht
met kleurend fris volgen bolle knoopjes
die van zuur naar zoet trossen in het zicht

na zomerse hitte op hellingen
van statig landgoed en boertig kasteel
broeit langzaam nectar rijp voor een pluk
die mand en vaten vult met zijn fluweel

ontdaan van pracht en praal van vrucht en vracht
hangen ranken weer naakt door rui gekrenkt
maar met gistend goesting in menig mond
wordt in hun vrucht lief en leed rijk gedrenkt

2000

Hemelse en aardse liefde

(n.a.v. studie Jan Sluijters)

een vrouw naar liefde smachtend
en haar rug naar licht gekeerd
heeft met rood omrande zinnen
in te dromen tijd verkeerd

wijl haar hoofd wikkend vlamt
en haar arm naar de aarde wijst
houdt zij stom haar lippen toe
alsof haar wezen zelve deinst

tochten van haar schoot waken
de hand plat op haar gate
waar vocht en vrucht wonen
inwendig langend naar een date

zichzelf een portret van twee
-herboren uit omhullend rood-
waar haar hand eer wachtend lag
is stof noch slip meer doch bloot

in delen bij haar samen horend en
aards verlangen klaprozig kwijnt
schijnt in het licht aan d’ horizon
aardse liefde hemels ongerijmd

2006

Woorden van hoop

We liepen samen over een smalle weg
Jij rood gelaarsd en met zon bestraald
Ik leidde je waar jij geen grond meer had
Als kinderen zweefden we beschermd
Door engelen die wij elkaar wensten.

Weer op aarde was de weg nog smaller
Jij omhelsde me maar liet me los omdat
Je levensloop louter alleen gangbaar leek.

Nu rest me onze liefde licht van bezieling
In het geheugen van mijn hart als jouw gebaar
Eens glorieus nu verdord maar onvergetelijk.

Jij wist te lopen zweven en los te laten
Maar als na een dag van Valentijn de nieuwe
Lente komt, zullen wij weer samen zijn?

Simen

21 Januari 2017, Nationale Gedichtendag te Leeuwarden

Grote ogen

Stil geborgen in het hoge bed op wielen
ligt mijn vader nog klam, zijn grote ogen koud.

Hij is niet meer, zeggen zusters die verdwijnen
achter het witte gordijn is de wereld oud.

In het venster staat een foto van het wiegje
met als kind mijn vader, zijn grote ogen wijd.

Vol zorg keer ik hem zacht met zijn zicht naar buiten
net nog was hij hier maar nu lijkt hij uit de tijd.

2001

Als het is      is het zo

Liefst ben ik in mezelf gekeerd
Met de mensen leidt maar af
Van mijn vaart en gevoelen

Doch onder de vlonders van  je ogen
Leg ik graag aan voor je groene oevers

Vol met nattigheid me toegeworpen
Weet ik mij gevaren in je weeën

Bedwelmd en vast door de wierook
Van je spartelende woorden

Is het als in mezelf verkeerd

2015

Sint Martinus te Sneek.

Een dia loog.

Haar billen van Tinus
Wat zag u dan?
Rondingen en rechte streken
Rondingen en rechte streken?
Een man in een mantel
Hij gaf zijn deel aan een naakte bedelaar, naastenliefde!
Zijn lans hoog, helm op!
Ik ken dat beeld
Een koddebeier
Aan die muur?
Hij keert zijn achterste naar de kijker…
Zijn kodde?
En is een vrouw!
Ga door
Geen rechte streken…
Rondingen?
Uitbuitend billenbloesem bolle kuiten

De stalen helm een muts met linten

De lans een zwaard!
Fallus extremus?!
Ronding doorboort met dolk!
De daad! Aanjagend! Angst!
Wel nee! Wulps welt haar achterwerkgewaad
Gewaad? Achterwerk? Wulps?
Zij heeft de wind er onder
Haar mantel der liefde?
Of laat…
U moet zich laten opnemen!

U behoeft een thuis!
Dat is wat ik zag
Waar?
In Sint Martinus te Sneek!
U zag het? Maar ik niet
Zij ving een glans van de zon in haar aars!
Genoeg! Dit is het einde
Koddig is het
Honderd weesgegroetjes!
U kan de muur op
U gelijk
Wees gegroet… eenmaal
Een vrouw, zei u?
Naastenliefde
Haar billen zijn van hem!

Simen Oetie, 31-12-05

De tijd, die van tijd tot tijd..

Hij was altijd erg pietepeuterig geweest.
Hij vond een klok uit
waarvan de wijzers zorgvuldig de tijd bij elkaar harkten,
zodat er niets verloren ging.    (Roland Topor)

Dat zijn klok zo ráák kon klinken
en zijn leven tikken was, slagen op een rijtje.
De stappen van zijn leven saamgeveegd
op één stapel… Wat een hoop.

Hij was precies met zijn wijzers pootjes,
als een kloek die regelmatig eieren keert.
De warmte van hun rondingen! Bijeen
lagen de herinneringen aan haar leg.

Hij raakte er opgewonden van,
verrukt van de verscholen verwachting.
Tik-tak, trip-tap, de vrucht van de klokkenspeler,
tik-tok, tip-top klokten de slagen nieuw leven.

Soms een vaste tred verstoord
storm en ontij.. alarm!

Hij leunde tegen de gevel en nam zijn tijd,
af en aan hapte hij in zijn appel
en gooide toen het klokhuis weg.
Hoe pietluttig stond hij daar in tijd geklonken.

Tik-tak, trip-trap, tot het einde tik-tak,
tot waar de klok twaalf slagen slaat.
Zou hij bij de tijd zijn door de wekker
of zijn leven schaak staan bij het vallen van de vlag?

Zijn handen kloofden in het haar;
een klokkenist in de kist, hij wilde er niet van horen.
Maar wat zou het? Stappen lopen op een eind
In de tijd waar raad en daad worden geboren.

Simen                                                9-05-01

Twee mei

Het voelde bruut op deze ochtend
Jou pijn doen, laten liggen, alleen.
Afzien van onze warmte
Ondanks dat jij er was voor mij.

Sterker dan tederheid en verlangen
De drang in mij snel weg te lopen.
Je liet me gaan.
Geen mok noch woord, geen groet
Jij gekwetst, het voelt verlaten.

Een vreemde vogel in jouw tuin
Zijn zijden vleugels krachteloos.
Onwetend waarheen hij
Vliegen kan met zijn hart vol lood.

Simen       2017

Slipje

lang geleden gaf ik als grap een slipje
van zwart satijnen stof voor mijn liefs lipje
maar zij stelde: dit is niet mijn tripje
kwijn weg viezerik of ik flip je

beschaamd kroop ik in mijn kribje
ontgoocheld door mijn liefste vipje
verliefd als een haan op zijn kipje
deed het pijn onder mijn ribje

lange tijd was ik zonder pipje
bijna dood op het nipje
maar gelukkig kwam ik uit dit dipje
en maakte schoon mijn schipje

ik droomde nog wel van mijn hipje
schreeuwde dan wild: ik wip je
het leven kwam weer in mijn gripje
mijn lach was niet meer een sipje

als een goedmaker, een i met stipje
gaf ik kussen lucht voor een goed begripje
ach lief dans voor mij als in een clipje
zo jij het wilt: zonder je tanga-slipje

2002

Samenzang

zij liep op mij toe alsof ik was uitverkoren
meteen ontroerd vroeg ik me af waarvoor
haar ogen helder als de hemel zonder wolken
straalden liefdevol verlangen uit naar hoge sferen

ik liet me aanschouwen en vangen in haar blik
zij glom en opende haar lippen de mond glooiend
in een lach alsof ze vroeg: wil je mee met mij
ik wist niet wat te doen vergat mijn woorden

haar neusje was als zalm wat rood en zacht
haar oren verscholen zich onder donkere krullen
haar jaren groeven rimpels van vergane zorg
een sjaaltje van kleurig zijde speelde om haar hals

verrast door haar aandacht voor onopvallendheid
raakte mijn ontroering in een versnelling hoger
en bonkte mijn hart op het benauwde af
kijk wees ze een mooi programma zingt u ook?

een toontje lager met mijn lip nog aan het glas
knikte ik van nee en vroeg haar toen hetzelfde
zeker ik zing volgende maand in de kathedraal
ik hoorde haar deed mee zo begonnen wij sacraal

2010

Eerbetoon op het servetje aan ons ontbijt

een rot ontstaan van binnen bleekt haar huid
het zeer schrijnt en kwijnt niet laat haren los
maakt lusteloos en misselijk en het spuit
zijn gal omhoog mijn meisje lijkt de klos

de tumoren lachen om haar tegenspoed
zwellen aan terwijl zij niet wil breken
haar broze lichaam raakt reeds ondervoed
maar ze vecht door zonder vloek of streken

met deze bloodaards tot hun kassiewijlen
is ze in de weer als dame met moed en stijl
gisteren laconiek nog met nagelvijl en
passen van een pruik wie zei er voor de bijl?

vanochtend bijna negen en dertig koorts
het alarmerend teken voor haar ziekenhuis
waar zij niet langer wil we wachten rond haar toorts
op levens wederkeer en negeren ons aller thuis

2012